Terwijl de familie afscheid neemt van oma maak ik van de gelegenheid gebruik om even naar het toilet te gaan. Een jongetje van een jaar of 10 staat tegen een deur geleund. Ik kijk hem aan en glimlach. Zijn grote bruine ogen kijken mij droevig aan. Puur en onschuldig. Ik sla mijn arm om zijn kleine, smalle schouders. “ Ik vind het zo jammer” zegt hij. Zijn stem klinkt zacht. Hij blijft mij aankijken met die mooie ogen van hem. Verwachtingsvol nu, alsof ik iets zou kunnen zeggen of doen om zijn verdriet te verzachten. Zonder erbij na te denken haal ik mijn hand door zijn haar. Ik weet niets anders te zeggen dan dat het ook jammer is. Dat het verdrietig is als we mensen moeten missen die we graag zien en waar we veel van houden. Hij glimlacht naar me. Melancholiek. Ik verwonder me over zijn rust. Een bijzonder joch, denk ik. Zijn smalle schouders trekken naar elkaar toe. Ik pak zijn handen vast en kijk hem even aan. Dan komt zijn moeder binnen. Haar stille verdriet is duidelijk zichtbaar. Ze steekt haar hand uit naar haar zoon en hij loopt met haar mee. Hij slaat zijn kleine arm om haar middel. Zijn andere arm wenkt zijn zusje. Mijn ogen volgen hen wanneer zij met elkaar naar de familiekamer lopen. Zo smal zijn die schouders niet denk ik bij mezelf. Schouders om op te leunen.