De familie komt binnen voor de rituele wassing. Ik vraag mij af of het werkelijk de bedoeling is dat al deze mensen mee gaan naar de verzorgingskamer. Waarschijnlijk wel. Ik sus mezelf met de gedachte dat het heus goed komt en begroet de familie. Mijn uitgestoken hand wordt door de oudste zoon niet aangenomen. Hij verontschuldigt zich. Zegt dat hij mij de hand niet kan schudden. Ik kijk hem aan en zeg dat het okay is. Eenmaal in de verzorgingskamer staan we allemaal dicht op elkaar. De door hen ingeschakelde uitvaartbegeleider, de weduwe en de zonen en dochters van de overledene met hun partners en ik. Het is klein en warm. Ik ben opgelucht dat zij mij hier accepteren. Dat ik dit moment met hen mag delen. Dat ik de kans krijg te iets te leren, iets te zien, van hun cultuur en gebruiken. Het is indrukwekkend. Voordat we beginnen trekt iedereen een schort aan. De schort van de oudste zoon past niet goed. Ik geef hem een andere en help hem die aantrekken. Ik vraag of ik hem dicht mag doen. Hij kijkt opgelucht en knikt. In een klein gebaar wordt een wereld overbrugt. Tijdens de wassing zie ik hoe hij groeit in zijn rol. De oudste zoon. Hij geeft instructies aan de anderen, troost zijn moeder en wast zijn vader. Ik kijk naar hem. Af en toe kijkt hij naar mij. Zoekt hij bevestiging. Ik knik en zonder woorden zeg ik dat hij het goed doet. Dat het goed gaat. Hij lijkt opgelucht als het voorbij is. Vraagt mij zijn schort los te maken. Bij het weggaan geef ik iedereen een hand. De oudste zoon kijk kijkt mij aan. Dankjewel zegt hij. Graag gedaan zeg ik. Een hand geef ik hem niet. Dat hoeft ook niet. Het is okay. En veel meer dan dat.