Op de dag van de uitvaart kwam zij afscheid nemen van haar oom. De jonge vrouw in de rouwkamer liep zonder aarzeling naar de kist waarin hij lag. Hooggehakt, strakke broek, bomberjack. Ik keek naar haar terwijl zij naar haar oom keek. In haar nek zag ik een gedeelte van een tatoeage. Het haar weggeschoren aan de onderkant en de bovenkant strak samengebonden. Ze draaide zich om en keek mij aan. Ik schrok van de felheid in haar ogen. Ik voelde hoe de ruimte zich vulde met haar boosheid. Hoe haar agressie zich op mij richtte. De stilte geladen van onuitgesproken spanning werd doorbroken toen haar neef binnenkwam. Hij liep naar haar toe. Zijn ogen op haar gericht. Haar blik verzachtte, ze nam hem in haar armen en wiegde hem zoals een moeder haar kind wiegt. Een man en een vrouw, een neef en een nicht, verbonden door bloed en geschiedenis. Hij in dat moment zo kwetsbaar en zij zo krachtig. Zachtjes verliet ik de rouwkamer en sloot de deur. Ik hoorde hoe hij huilde, lange halen, een rauw verdriet. Intens. En hoe zij hem troostte, suste, zachtjes sprak.

Tijdens de dienst zat ze achter hem, rechtop, alsof iedere vezel van haar lijf zich bewust was van een alleen door haar voorvoeld gevaar. Ik zag hoe ze af en toe haar handen op zijn schouders legde. Hoe ze hem even vasthield. Hoe ze naar hem keek terwijl hij zijn vader uitgeleide deed. Haar starre, koude blik ontdooit. Liefdevol en geruststellend.

We liepen naar de begraafplaats. Ze nam plaats naast de loopkoets, achter haar neef. Mij leek ze niet te willen zien. Ze keek door me heen, haar prachtige blauwe ogen als ijs. De zwarte randen er om heen, zorgvuldig aangebracht, gaven haar iets extra strijdlustigs. Ik knikte. De loopkoets zette zich zachtjes in beweging.

Ze bleven als laatste aan het graf. Zij en haar neef. Ik nam wat afstand en zag hen samen staan. Voor het open graf. Ze hurkte, ik zag hoe haar bomberjack wat optrok. Haar onderrug ontbloot. Ze pakte een hand vol zand en liet het langzaam door haar vingers op de kist glijden. Heel zachtjes, teder. Toen stond ze op, sloeg het zand van haar handen en wreef ze schoon aan haar broek. Ze liep naar haar neef en sloeg haar arm om zijn schouders. Samen verlieten zij het graf. Ik wachtte hen op aan het pad. Nu keek ze me recht aan en stak haar hand uit. Ik zag de zandkorrels in haar handpalm en tussen haar vingers geplakt. Haar handdruk was zacht en warm.