Op tafel lag de opengevouwen krant. Haar bril ernaast. De dame die in de keuken koffie aan het zetten was ontroerde me. Kranig hield ze zich. De eettafel stond inmiddels terug op zijn oude plek. Toen ik voor het eerst bij haar kwam was dat de plek waar het bed van haar man stond. Daar zou hij blijven tot de dag van de uitvaart. Jaren had ze voor hem gezorgd. Dat hij niet meer beter zou worden wisten ze allebei. Dat sterven zo lang kon duren niet. Dagen werden weken, weken werden maanden en maanden werden jaren. Jaren waarin beetje bij beetje alles veranderde. Jaren die de wereld van de eens zo erudiete man en zijn onafhankelijke vrouw gereduceerd hadden tot de eetkamer. Haar dagen bestonden uit het zorgen voor hem. Steeds meer en steeds intensiever. Tot ze bijna een eenheid vormden in een wonderlijke dans op dat hele kleine stukje aarde. Ze versmolt met hem. Na de uitvaart werd het stil. Niet meteen maar iedere dag een beetje stiller dan de dag ervoor. Tot de stilte oorverdovend hard bij haar binnendrong. Het was over. Hij was weg. Echt weg. En zij moest verder, alleen, zonder de man die zij al die jaren tot middelpunt van haar bestaan had gemaakt. Hun dans bruut gestopt. Terwijl ze de koffie opschonk zag ik haar schouders schokken. Ze vertelde dat ik het eerste bezoek in weken was op dit uur in de ochtend. Hoe anders het was toen haar man nog leefde. Toen was het juist ’s morgens een drukte van belang in huis. Terwijl de meisjes van de thuiszorg haar man verzorgden zette zij koffie. Er werd gepraat en ondanks alles gelachten. Ze miste ze zo, zei ze, die meisjes in de morgen die de buitenwereld meenamen naar binnen. Terwijl ze aan tafel ging zitten keek ze me door haar tranen heen aan, of ik geen haast had vroeg ze.