Zachtjes kwam hij binnen, nog geen 20 jaar oud. Bijna geruisloos. Ik hoorde de geluiden van de straat, de auto’s, de wind, een paar jongens die uitgelaten van school naar huis fietsten, de blaffende hond van de buren verderop in de straat. Maar om hem heen was het stil. De stilte van de dood. Een stilte die hem niet paste maar die hij droeg als een koningsmantel. Als een zojuist ingewijde. Terwijl ik hem aankeek hoorde ik mijn eigen stem mezelf voorstellen en hem condoleren met dit enorme verlies. Hij antwoorde, zijn stem was zacht en melodieus. Het was alsof er een gesprek gevoerd werd buiten ons om, alsof er twee andere personen in de ruimte beleefdheden uitwisselden. De dingen die gezegd worden op een moment als dit. Ik voelde hoe de stilte ook deel van mij leek te worden. Hoe ik ieder moment dichterbij mocht komen. Totdat er niets anders was dan dat. Niets anders dan die ontzagwekkende, diepe stilte.

Samen stonden we aan de rand van een enorm meer. Zijn verdriet. Het verdriet van een jonge man om zijn veel te vroeg verloren moeder. De geluiden om ons heen vervaagden, we stopten met praten, er hoefde niets gezegd te worden. Ieder woord was misplaats, banaal, te veel. Hij keek naar het water en ik keek naar hem. Mijn hand op zijn schouder. Daar stonden we, twee mensen, onbekenden van elkaar, in een parallelle wereld waarvan de poort meestal voor ons gesloten blijft. Tijdloze stilte werd doorbroken. Voetstappen kwamen dichterbij, de deur ging open. De warme stem van mijn collega klonk vreemd en schel in de ruimte. Ze nodigde ons uit om mee te gaan voor de verzorging. Hij keek me aan en ik legde mijn hand op zijn schouder. Een blik van herkenning. Vertrouwen. Een brug geslagen, tussen twee mensen en twee werelden. Ik voel de tranen opkomen en laat ze stromen. Het is alles wat er is. Wat er écht is. En dat mag er zijn.